Skip to Content

RSS Lokale voedselsystemen

Het einde van Growing Power en wat dit ons kan leren

Eetbaar Rotterdam - ma, 26/03/2018 - 16:44

In oktober 2017 werd na 22 jaar Growing Power, het internationale boegbeeld van de stadslandbouwbeweging, opgedoekt. Een artikel op de blog Civil Eats en een verklaring van de Urban Growers Collective (UGC), maken duidelijk dat we zowel van de successen als van de fouten van Growing Power en zijn oprichter Will Allen kunnen leren.

De non-profit Growing Power is opgericht in door Allen in 1995. Het begon toen hij twee oude, uitgewoonde kassen kocht in Milwaukee en daar voedsel ging produceren en verkopen. Allen betrok daarbij al snel jongeren uit de buurt, en hij begon in te zien dat voedsel een middel voor sociale verandering zou kunnen zijn.

Hiermee legde hij de basis voor een organisatie die een diepgaande positieve invloed heeft gehad op de stadslandbouwbeweging in Milwaukee en Chicago (en daarbuiten), en via die beweging op de stad als geheel. Veel voormalige werknemers hebben hun eigen initiatief opgezet. Iedereen bevestigt deze positieve rol van Growing Power, maar haar voortijdige einde roept wel een aantal vragen op over de bedrijfsvoering en de leiding van de organisatie.

Het artikel “Behind the Rise and Fall of Growing Power” beschrijft de opkomst en ondergang van Growing Power maar probeert ook een inzicht te krijgen in hoe het misliep en hoe het verder moet. Om met dat laatste te beginnen de Milwaukee vestiging krijgt mogelijk een doorstart geleid door Green Veterans en Groundworks Chicago. De afdeling in Chicago gaat verder onder de naam Urban Growers Collective. Hoewel Erica Allen, de dochter van Allen, hier deel van uit maakt is het duidelijk dat de UGC een nieuwe start wil maken, meer op educatie en minder op voedselproductie gericht. Zij trekken in een verklaring op hun website twee diepgaande lessen (“profound lessons”) uit de ervaringen van Growing Power. Ten eerste moeten instituten permanent en meer constant ondersteund worden (een verwijzing naar de grote tekorten die zijn ontstaan bij Growing Power). Het idee dat stadslandbouw als vak een financiële basis kan bieden voor een organisatie als Growing Power wordt daarmee losgelaten – voor zover dat al de basis was van Growing Power.

De tweede les die UGC trekt is dat de beweging en haar werk moet (blijven) veranderen. Tussen de regels door is te lezen dat de oprichter op een gegeven moment deze verandering in de weg is gaan staan en niet in staat is geweest te delegeren, een analyse die al langer te horen is onder stadsboeren die gewerkt hebben bij Growing Power. Dit founder’s syndrome is een bekend verschijnsel (ook in de Nederlandse stadslandbouwgemeenschap), waarbij dezelfde mensen die met hun bijzondere drive en talenten een organisatie (bedrijf, vereniging, woongemeenschap, et cetera) op poten te zetten, niet in staat zijn de controle los te laten en over te dragen als de organisatie staat en nieuwe stappen nodig zijn.

Wat betreft de val van Growing Power, blijkbaar zijn over meerdere jaren de uitgaven groter geweest dan de inkomsten. Verklaringen hierover variëren van falend toezicht door het bestuur tot een onvermogen tot samenwerking met andere organisaties. Ondertussen lijkt de UCG in Chicago een nieuwe start te hebben gemaakt, terwijl de toekomst van de organisatie in Milwaukee nog onduidelijk is. Terwijl Green Veterans in samenwerking met Groundwork Milwaukee aan een doorstart werkt laat Will Allen onduidelijkheid bestaan over de vraag of hij met pensioen gaat of niet. Niemand betwijfelt de waarde die Growing Power heeft gehad, maar de recente ontwikkelingen laten zien, dat ook dit soort succesprojecten behoefte heeft bij een voortdurend opbouwend-kritische houding van haar supporters.

Kijk ook de korte film over Allen’s bezoek aan het Westland in 2009.

 

Behind the Rise and Fall of Growing Power

 

Saying Goodbye to Growing Power

Het bericht Het einde van Growing Power en wat dit ons kan leren verscheen eerst op Eetbaar Rotterdam.

Categorieën: Lokale voedselsystemen

BOEKEN 5 – Doughnut economics

Eetbaar Rotterdam - zo, 25/03/2018 - 14:01

In deze vijfde editie bespreekt Aat Brand het boek Doughnut economics. Seven ways to think like a 21st-century economist van de spraakmakende econoom Kate Raworth.

De Engelse econoom Kate Raworth (1970) doet in Doughnut economics een harde aanval op het dominante sociaaleconomische beleid in de wereld en de daaraan ten grondslag liggende neoklassieke economische wetenschap. Zij laat zien hoe de in de praktijk gebrachte economische theorieën en modellen tot financiële crises leiden en de sociale ongelijkheid binnen en tussen landen verder vergroten. Hierdoor leeft een substantieel deel van de wereldbevolking in extreme armoede, wordt de middenklasse uitgehold en worden de rijksten steeds rijker: 1% van de wereldbevolking bezit de helft van de totale welvaart en de overige 99% de andere helft. Zij benadrukt ook dat de economische wetenschap en het ermee verbonden beleid de natuurlijke basis van economieën en samenlevingen ernstig aantasten, zo niet vernietigen. Een en ander veroorzaakt voortdurende afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, opwarming van de aarde, zeespiegelstijging, watertekort, chemische vervuiling en een dramatisch verlies aan biodiversiteit.

Sinds het boek vorig jaar verscheen is het veel publiciteit ten deel gevallen. Raworth verscheen ook in Nederland in tal van televisieprogramma’s, o.a. Buitenhof en Tegenlicht en ze trad op in vele druk bezochte zalen om haar boodschap te verkondigen en in debat te gaan. Het boek kreeg in korte tijd een cultstatus, te vergelijken met dat van de Franse econoom Thomas Piketty met zijn Kapitaal in de 21ste eeuw van een paar jaar geleden.The Guardian riep Raworth intussen uit tot de 21e-eeuwse John Maynard Keynes.
Wat waren veel van de door haar aangevallen economen kwaad, ook in Nederland. Zo meldde econoom Mathijs Bouman (Het Financieele Dagblad) het boek ongelezen te laten omdat hij al had meegekregen dat Raworth een clichébeeld schetst van de economische wetenschap. De chef economie van het Algemeen Dagblad Sandra Phlippen heeft het boek wel gelezen en gaf aan dat het haar misselijk en verdrietig had gemaakt, omdat zij het populistisch en leugenachtig vindt.

Ik ging het boek met interesse lezen en viel voor de vlotte en leesbare stijl van Raworth. Het boek is een waar compendium van alles wat in de wereld op sociaaleconomisch en ecologisch gebied misgegaan is en nog misgaat. Ze argumenteert helder en documenteert zich grondig. Ze blijft niet steken in het stellen van een sombere diagnose, ze komt ook met remedies om het tij nog te keren. Haar toon wordt dan optimistisch.
Ook hier redeneert ze helder en beschrijft vele economen die anders denken, streven naar minder sociale ongelijkheid en die een eind willen maken aan de milieuvernietigende verslaving aan economische groei. Ze geeft talloze voorbeelden, gesitueerd in het westen als in ontwikkelingslanden, van hoopvolle initiatieven die krachtig de goede kant op werken: alternatieve muntsystemen voor de armen, ethische banken met een sociaal-rechtvaardig en ecologisch verantwoord beleid (zoals de Triodosbank In Nederland), herbebossingsprojecten, open source deling van kennis en innovaties in plaats van bescherming met patenten enz.

Het valt op dat ze in haar algemene betoog en in de vele beschreven best practices geen aandacht besteedt aan de in vele westerse steden toegepaste stadslandbouw. Ze benadrukt dat voor echte verandering samenwerking tussen gemeenschappen, non-profit organisaties, het (financiële) bedrijfsleven en overheden nodig is. Ze geeft vaak hoog op van de belangrijke rol van gemeenschappen (commons), die in zelforganisatie, op non-profitbasis en relatief egalitair, een grote bijdrage leveren aan die best practices. Dit zijn traditionele en alternatieve gemeenschappen, in de westerse en niet-westerse wereld.

Zoals de ondertitel aangeeft, ziet Raworth zeven wegen om de wereld van haar fatale koers af te krijgen:
1) Doelverandering; weg van de fixatie op de noodzakelijk geachte groei van het bruto binnenlands product (bbp);
2) Laat het niet aan de markt over, de markt moet worden ingebed in de samenleving;
3) Koester de menselijke natuur: van het rationele economische individu (de homo economicus) naar de in afhankelijkheid van de medemens en in evenwicht met de natuur levende mens;
4) Snap de systemen: van een mechanische evenwichtsvoorstelling van de economie naar een begrip van dynamische en complexe systemen;
5) Een economisch ontwerp om tot distributie te komen: van “groei lost alles op” tot herverdeling van inkomen, bezit, kennis, technologie enz.;
6) Creëer om te regenereren: van denken dat er eerst economische groei moet zijn om de milieuvervuiling op te ruimen naar een circulair economisch ontwerp;
7) Wees agnostisch over economische groei die niet eindeloos door zal en kan gaan; het gaat om een sociaalinclusieve, ecologisch verantwoorde economie, of die nu wel of niet groeit.

Raworth gelooft bij deze noodzakelijke koersverandering van de wereldeconomie in de kracht van beelden. Die kunnen volgens haar de boodschap pakkend overbrengen en economen, beleidsmakers en het algemene publiek tot een ander denken en handelen brengen.
Zij gebruikt daarvoor het beeld van de Amerikaanse donut, de zoete snack met het gat in het midden. In de binnenring, rond het gat, plaatst zij de sociale basis waar niemand doorheen mag zakken. Aan de buitenkant situeert zij het ecologisch plafond waar de wereld niet bovenuit mag gaan. Tussen beide ringen bevindt zich dan de sociaal-rechtvaardige en ecologisch-veilige ruimte voor de mensheid, waar het economisch denken en het beleid binnen moeten blijven.

Voor iemand die de betekenis van beelden en symbolen zo benadrukt en een gezonde relatie met de natuur voorstaat, vind ik dit beeld van de donut ongelukkig gekozen. Het is immers een suikerrijke, vette en dikmakende deeghap.
Bij het lezen van de hoofdstukken gewijd aan de bovengenoemde punten 6 en 7 ging ik mij in toenemende mate ergeren aan het vele herhalen van redenaties die eerder in het boek zijn behandeld. Een kritische redactie had dit kunnen voorkomen.

Doughnut economics bevat een overtuigende analyse van wat er allemaal mis is met de wereldeconomie. De beschreven initiatieven die hebben gebroken met de neoklassieke economische uitgangspunten en het daarop gebaseerde beleid – en dat vaak niet een beetje, maar fundamenteel doen – zijn inspirerend en geven hoop. Het is allemaal zeker niet nieuw: de te grote sociale ongelijkheid en de schade daarvan aan welvaart en welzijn van velen is eerder door economen aan de orde gesteld, recent nog door de hier al genoemde Thomas Piketty. Ook de ecologische probleemanalyse heeft een geschiedenis, zij het een veel kortere, getuige de Club van Rome en haar analyse in De grenzen aan de groei uit 1972. Voor het krachtig koppelen van de analyse van beide problemen en bijbehorende oplossingen verdient het boek van Raworth waardering.

Toch werd bij mij al lezend de overtuiging sterker dat veranderingen in het grote bedrijfsleven, zo noodzakelijk om echt tot resultaten te komen, uitblijven of veel te weinig fundamenteel zijn. De dominantie van korte-termijn-winst, de focus op aandeelhouderswaarde, megamonopolies in centrale nieuwe bedrijfstakken als communicatie, informatie en de bijbehorende technologieën (Microsoft, Google, Amazon, Facebook enz.), het groeiende belang van geld en kapitaal boven mensen als burgers en werknemers lijken mij vooralsnog veel krachtigere ontwikkelingen de verkeerde kant op.
Raworth kan dat niet helpen en haar analyse van het bestaande beleid en haar pleidooi voor een fundamenteel andere inzet verdienen het dat haar lezerspubliek nog veel groter wordt dan het al is.

Aat Brand is cultureel antropoloog

Besproken werd Kate Raworth, Doughnut economics. Seven ways to think like a 21st-century economist, London (Random House), 2017, 372 pp., ISBN 9781847941374, 24,99 euro (hardback), 21,95 euro, 13,95 euro, editie 2018, (paperback). Nederlandse editie (vertaling Rob Hartmans), Donuteconomie. In zeven stappen naar een economie voor de 21e eeuw, Amsterdam (Nieuw, Amsterdam (november 2017) 352 pp., ISBN 9789046823187, 24,99 euro (paperback).

Zie ook de website van de auteur

 

 

 

 

 

 

Het bericht BOEKEN 5 – Doughnut economics verscheen eerst op Eetbaar Rotterdam.

Categorieën: Lokale voedselsystemen

UAM 33: Urban Agroecology

Eetbaar Rotterdam - zo, 18/03/2018 - 16:09

UA Magazine 33 is een speciale editie ter gelegenheid van de 8e AESOP Sustainable Food Planning Conferentie in Coventry met als thema “Urban Agroecology” (meer over de conferentie hier) geproduceerd in een samenwerking tussen Centre for Agroecology, Water and Resilience (CAWR) en RUAF.

Wat urban agroecology is verschilt van land tot land en van organisatie tot organisatie. Het gaat vaak niet alleen over een ecologische manier van produceren van voedsel in stad maar het beschrijft een beweging, een wetenschap, een politieke visie en een praktijk waarin naast landbouwkundige kennis ook bepaalde waarden en ethiek zoals respectvolle wederzijdse sociale relaties en een meer rechtvaardige en gelijkwaardige rentmeesterschap over het land (en de stad) worden nagestreefd (vrij vertaald uit de editorial). De bijdragen illustreren deze diversiteit. Met onder andere een interessant stuk over wetenschappelijk onderzoek door burgers (crowd sourcing avant la lettre) in het Verenigd Koninkrijk, “Pioneering Urban Agroecological Research with Citizen Science“, en het stuk “Food Forests: An upcoming phenomenon in the Netherlands” (waaraan ikzelf een kadertekst heb bijgedragen over het werk van het Rotterdams Forest Garden Netwerk).

Bekijk UA Magazine 33: Urban Agroecology

Urban Agriculture Magazine is een publicatie van de RUAF Foundation

Het bericht UAM 33: Urban Agroecology verscheen eerst op Eetbaar Rotterdam.

Categorieën: Lokale voedselsystemen

Groene keuzes. Wat zeggen Rdamse partijen over groen?

Eetbaar Rotterdam - zo, 18/03/2018 - 14:05

De Rotterdamse media staan er vol mee: “wat vinden politieke partijen over” … armoede, onderwijs, klimaatambities (zie de links onderaan). Wat nog ontbrak was een overzicht van wat partijen zeggen over ‘het groen’ in Rotterdam en over stadslandbouw. Op de valreep voor de verkiezingen poogt het Stadslandbouwtijdschrift dit gat te vullen. We hebben in een overzichtelijk tabelletje alle concrete maatregelen naast elkaar gezet die de verschillende partijen voorstellen in hun verkiezingsprogramma’s. De maatregelen zijn in grote lijnen geclusterd.

We kijken dus niet naar wat partijen zeggen over duurzaamheid of over hoe ze klimaatverandering tegen willen gaan. Daar is al veel en goed over geschreven. Wil je daar meer over weten lees dan o.a. “Klimaatambities: dit valt er te kiezen met de gemeenteraadsverkiezingen” van Inge Jansen in Vers Beton. We spitsen ons toe op het groen in Rotterdam. De tabel is gedetailleerd genoeg om als lezer zelf conclusies te trekken. Ik sluit dus ook af met maar een paar droge voor de hand liggende conclusies. Maar eerst…

… hoe zit het met CDA, VVD en Leefbaar?

Die zijn niet in de tabel opgenomen. VVD, Leefbaar en CDA hebben geen concrete plannen voor het groen in hun partijprogramma. Het enige wat Leefbaar zegt is dat ze ‘meer en goed verzorgd groen in de openbare ruimte’ willen en ‘makkelijk te onderhouden groen bij nieuwbouw en herinrichting’. Dat is niet alleen heel summier. Het is ook dubieus, want vooral ‘makkelijk te onderhouden groen’ zou wel eens tot meer gemeenteperkjes kunnen leiden en tot minder biodiversiteit. VVD heeft ook geen concreet groen voorstel. Onder een kopje ‘Groen & Rechts’ zijn een paar puntjes opgenomen over thema’s als energie, woningen en mobiliteit. En dus niet over het groen in Rotterdam. CDA weet pas echt mooi invulling te geven aan hun rentmeesterschapsambities door het woord ‘groen’ geeneens te noemen in hun verkiezingsprogramma.

Ook andere nieuwe partijen zoals 50Plus en Stadsinitiatief Rotterdam hebben nauwelijks iets in hun programma’s staan over groen. 50Plus blijft ook erg kortaf en abstract. Bijenhotels, meer bomen, en beplanting voor vogels en vlinders. En 50plus ‘kiest’ voor stadstuinen en stadslandbouw op daken en ‘verloren stukjes grond’. Hoe je daarvoor ‘kiest’ is verder onduidelijk. Het Rotterdams Stadsinitiatief heeft ‘geen traditioneel programma maar actiepunten’. Dat staat er als een trotse overtuiging, maar het zou een excuus moeten zijn. Want ook in partijprogramma’s staan actiepunten, of concrete voorstellen. Maar die zijn dan vaak ingebed in een onderbouwend verhaal. Bij het stadsinitiatief staan de niet onderbouwde actiepunten willekeurig en onsamenhangend door elkaar heen. Als je dan op zoek gaat naar groene actiepunten dan kom je het punt tegen dat elke straat een boom moet hebben, en dat er een stadsfonds moet komen voor groene en duurzame bewonersinitiatieven, van 1 % van de groen- en buitenruimtebegroting. En daar blijft het bij. Moeten we nog iets over de PVV zeggen? Het enige partijprogramma wat PVV heeft is een a-4tje over landelijke thema’s. Laten we dus maar snel naar de partijen kijken die wel serieus iets zeggen over het groen in Rotterdam.

Bekijk het Overzicht- groene-punten_verkiezingsprogrammas2018 als pdf  of bekijk het schema hieronder

Conclusies

Met zo’n uitvoerig en gedetailleerd overzicht is het meeste al gezegd, en kan je als lezer zelf conclusies trekken. Ik noem daarom alleen een paar voor de hand liggende. Het valt direct op dat de SP en de Partij voor de Dieren verreweg het meest uitgebreid en concreet zijn op het gebied van groene voorstellen. Daarna komen GroenLinks en D66. Op vlakken als biodiversiteit heeft iedereen wel iets te zeggen. Waar GroenLinks vleermuisvriendelijke verlichting wil, wil Partij voor de Dieren dat bomen met elkaar in verbinding staan voor vleermuizen. De SP en zeker Partij voor de Dieren noemen er gewoon meer. Opvallend is dat Natuur- en Milieueducatie alleen door SP en de Partij voor de Dieren genoemd wordt. En alleen de SP en NIDA zeggen iets over volkstuinen.

Bijna alle partijen willen wel stadslandbouw stimuleren, ruimte ervoor maken, of het ‘toejuichen’. (Ik kijk er al naar uit dat CU-SGP komt applaudisseren als we onkruid aan het wieden zijn tussen de kolen. Wat goede spreekkoren vind ik dan wel een voorwaarde.) Maar veel concreter wordt het niet op het vlak van stadslandbouw.

Aan stemadvies waag ik me niet. Partijprogramma’s zijn niet heilig. Soms is het veel belangrijker te kijken naar hoe partijen de afgelopen jaren hebben gestemd voor en tegen groene moties. Bovendien zijn er nog meer hele belangrijke thema’s deze verkiezingen, zoals klimaat en duurzaamheid en armoedebestrijding. Daarover zijn mooie artikelen verschenen o.a. op Vers Beton. Lees die! Veel plezier met stemmen woensdag en succes met de uitslag!

Lees over verwante verkiezingsthema’s in Rotterdam:
https://versbeton.nl/2018/03/wat-zeggen-de-rotterdamse-partijprogrammas-over-armoede/
https://versbeton.nl/2017/12/klimaatambities-dit-valt-er-te-kiezen-met-de-gemeenteraadsverkiezingen/
https://versbeton.nl/2018/03/wat-zeggen-de-partijen-over-de-klimaatopgave-van-de-haven/
En over de toegenomen aandacht voor groen:
https://www.wur.nl/nl/nieuws/Gemeenteraads-verkiezingen-weer-meer-aandacht-voor-groene-ruimte-bij-politieke-partijen.htm

Het bericht Groene keuzes. Wat zeggen Rdamse partijen over groen? verscheen eerst op Eetbaar Rotterdam.

Categorieën: Lokale voedselsystemen

De stand van zaken in sitopia. Verslag van de 8e AESOP Sustainable Food Planning Conference

Eetbaar Rotterdam - za, 17/03/2018 - 16:50

Op 14 en 15 november vond in Coventry de 8e AESOP Sustainable Food Planning Conference plaats. Gastvrouw was het Center for Agroecology, Water and Resilience (CAWR). Stadslandbouwtijdschrift was er bij.

AESOP is de ‘Association of European Schools of Planning‘ vrij vertaald de Vereniging voor alle Europese opleidingen die zich met planologie en stedenbouw bezig houden. Sinds voedsel weer op de stedelijke agenda begint te komen is de Sustainable Food Planning Group, een van de actiefste binnen AESOP. Als beginnende stadslandbouw-deskundige heb ik de eerste twee AESOP Sustainable Food Planning conferenties bijgewoond (Almere, 2009 en Brighton, VK, 2010). Beide waren spannende bijeenkomsten waar pioniers uit Europa en Amerika – niet alleen planners maar ook initiatiefnemers en wetenschappers uit andere disciplines en mensen als Carolyn Steele (architect en schrijver van het baanbrekende boek Hungry City) – bij elkaar kwamen om het toen nog jonge thema te bespreken. Ik was benieuwd hoe de discussie zich sinds die tijd heeft ontwikkeld en wat de stand van zaken in het veld is internationaal gezien.

In de openingslezing zette het duo Chiara Tornaghi (CAWR) and Michiel Dehaene (Universiteit Gent) de toon (=keynote) door hun visie op een agroecological urbanism uiteen te zetten. De visie introduceert urban agro-ecology (stedelijke agro-ecologie) als een integrale benadering van voedselproductie binnen het natuurlijke en sociale ecosysteem van de stad. Door de stad vanuit dit perspectief te bezien koppelt zij de duurzame idealen van stadslandbouw aan een politieke betrokkenheid bij de ontwikkeling van de stad. Deze betrokkenheid is geïnspireerd door een Marxistische kritiek op verstedelijking als neoliberaal project. Dat moge wat hoogdravend en theoretisch klinken, de verscheidenheid aan wetenschappelijke presentaties gedurende de conferentie bood zowel veel concrete voorbeelden van waarom een kritiek nodig is (al dan niet Marxistisch geïnspireerd) en hoe stedelijke voedselinitiatieven vrijwel zonder uitzondering te maken hebben met vragen over sociale en ecologische rechtvaardigheid, en keuzes die bepalen wie betrokken is en hoe en wie baat heeft bij alle aandacht voor voedsel en landbouw in en om de stad.

Een agro-ecologische stedenbouw heeft als doel om de stad niet te baseren op de logica van groei, accumulatie van vermogen en eigendom, maar haar vorm te geven als een ecosysteem waarin mensen en andere levende wezens in samenhang met hun (ecologische) omgeving leven en dat niet alleen onze basisbehoeftes voorziet, maar ook onze rechten respecteert, vanuit solidariteit met elkaar. Het recht op voedsel en voeding, gaat veel minder om de productie van voldoende voedsel alswel om de toegankelijkheid van het voedsel, en de kennis en vaardigheden en mogelijkheden om deze zelf te (laten) verbouwen op de manier die bij je past, sociaal, cultureel, zo leerde een andere spreker Jahi Chappell ons op basis van het voorbeeld van Belo Horizonte in Brazilie dat hij heeft onderzocht en beschrijft in zijn boek “Beginning to end hunger: Food and the environment in Belo Horizonte, Brazil and beyond”. Een interessant punt was zijn persoonlijke pleidooi voor reciprocity, wederkerigheid. Kort samengevat betekent dit dat zijn bijdrage als onderzoeker uit het Global North met de problemen in de Global South niet betekent dat hij geen lering kan trekken uit zijn werk in Belo Horizonte die relevant en toepasbaar is in zijn thuisbasis, de U.S.A.

Ook Emily Matteisen van FIAN international besprak de Right2Food. Zij schetste recente ontwikkelingen van de erkenning van dit basisrecht, de rol die de (lokale) overheid daarin kan spelen en de uitdagingen die daarbij komen kijken. Daarbij komt ook de vraag voorbij of er wel daadwerkelijk sprake is van participatie in sommige food (policy) councils. Zie ook onze bespreking van de presentatie van de Amsterdamse Food Council.
De vraag in hoeverre mensen kunnen participeren in hoe hun voedsel wordt geproduceerd kwam ook bij Dehaene en Tornaghi (die zich voor de gelegenheid met een knipoog presenteerden als de twee-eenheid DehTor) aan de orde. Zij gebruikten het Marxistische begrip social reproduction; het vermogen om kennis en vaardigheden door te geven aan anderen, door de tijd. De stedenbouw heeft volgens hen sinds de tweede wereldoorlog haar best gedaan om de kennis en vaardigheden met betrekking tot voedsel uit de stad te bannen, en heeft ons veranderd in consumenten die steeds minder weten van voedsel en daarmee mensen met minder geld ook beroofd van mogelijkheden in eigen voedsel te voorzien.

Voedselkennis en -vaardigheden waren van oudsher verbonden aan gedeelde toegang tot gezamenlijke hulpbronnen (land, middelen, kennis); de commons. Dit thema kwam regelmatig terug in de plenaire lezingen en in de sessies die ik bijwoonde; de manieren waarop toegang tot gezamenlijke hulpbronnen (land, middelen, kennis) weer vorm kan krijgen in het stedelijk voedselsysteem. Een Frans onderzoek liet zien hoe land wordt geclaimd en beheerd als gemeenschappelijke hulpbron (‘common resource‘). Zowel (lokale) overheden als maatschappelijke initiatieven als Terres de Liens proberen door land management ruimte te creëren en/of te behouden voor kleinschalige landbouw. De overheid doet dit om landschappelijke kwaliteit te behouden m.a.w. om ongewenste stedelijke ontwikkeling tegen te gaan. Maatschappelijke organisaties gaat het om fair access to land. Interessant is dat deze verschillende invalshoeken leiden tot verwante benaderingen die vaak teruggrijpen op oude vormen van (bestaande of voormalige) commons of die deze opnieuw proberen vorm te geven. Debra Solomon stelde in haar presentatie voor dit begrip ook toe te passen op de stedelijke bodem als commons te beschouwen. Een gezonde bodem wordt steeds meer erkend als de basis voor een duurzame landbouw. Het idee van de commons kan ook gebruikt worden om gedeelde natuurlijke hulpbronnen weer op de agenda te zetten als gemeenschappelijk goed in het maatschappelijk debat en in beleid.

Nu er weer aandacht is voor het thema voedsel in de stad, en meer en meer burgers weer zelf voedsel willen telen, is het een uitdaging om de hier aan verbonden bewustheid en kennis en vaardigheden weer te introduceren bij een brede groep burgers, zoals DehTor voorstaat. Deze emancipatie is echter nog lang niet vanzelfsprekend. “Another world is plantable! Community gardeners in North America”, een film van Ella von der Haide over gemeenschappelijke voedseltuinen in U.S.A., laat zien dat maatschappelijke gelijkheid ook in de alternatieve voedselbeweging niet voor zich spreekt. De film laat de bevrijdende werking zien van deze beweging voor bijv. mensen uit de LGTB scene. Maar het laat ook de zorg zien dat de beweging wordt ‘co-opted’; ingelijfd door de commercie, of door de creatieve blanke middenklasse. Als je de conferentie bekijkt vanuit dit perspectief, valt een gebrek aan diversiteit onder de deelnemers op. Weinig deelnemers uit het Globale Zuiden, en weinig etnische diversiteit. Dat is zeker niet de bedoeling geweest van de organisatoren; CAWR heeft nadrukkelijk als doel om relevant te zijn voor een bredere groep dan academici en een actieve rol te spelen in projecten over de hele wereld gericht op inclusiviteit en duurzaamheid. Ook lokaal in Coventry – een van de armste steden van het Verenigd Koninkrijk, met alle problem van dien – is zij actief. Een sessie over het initiatief voor een lokale food policy council in Coventry waar CAWR ook bij betrokken is heb ik helaas gemist.

Toen ik na afloop Coventry verliet had ik geen duidelijk beeld van wat er daar lokaal gebeurt. Dit stoorde me, in het besef dat ik hier zelf deels verantwoordelijk voor was. Mede daardoor kwam ik wel terug met een hernieuwd gevoel dat er iets op het spel staat in de verduurzaming van ons voedselsysteem. Er ligt een uitdaging die meer vraagt dan het professioneel oplossen van een aantal problemen; er is een mentaliteits- en gedragsverandering nodig. Zo’n verandering moet besproken en bediscussieerd worden op een conferentie als deze maar wat me bij blijft zijn de besproken voorbeelden van mensen die in het veld een stukje van de door hen gewenste sociaal rechtvaardige en duurzame wereld realiseren; het sitopia waar Steele haar boek Hungry City mee eindigde. De conferentie bood een waardevolle inzicht in de ontwikkeling van deze initiatieven. Hun ervaringen documenteren en hun successen en mislukkingen in kaart brengen, is een van de belangrijkste opgaven van de wetenschap die zich bezig houdt met sustainable food planning.

Zie hier de book of abstracts met korte beschrijvingen van de presentaties en meer info over de conferentie.

Zie ook de editie van UA Magazine ter gelegenheid van deze conferentie met als thema Urban Agro-Ecology.

Tijdens de conferentie werden ook nog de volgende boeken die aan het thema raken gepresenteerd:

Het bericht De stand van zaken in sitopia. Verslag van de 8e AESOP Sustainable Food Planning Conference verscheen eerst op Eetbaar Rotterdam.

Categorieën: Lokale voedselsystemen

do, 01/01/1970 - 02:00

 

Inhoud syndiceren
Share this